De functie AF-fijnafstelling gebruiken

De hieronder beschreven procedure voor AF-fijnafstelling geldt voor de volgende camera's: D3, D3s, D3X, D4, D4S, Df, D300, D300S, D600, D610, D700, D750, D800, D800E, D810, D810A, D7000, D7100, D7200. Raadpleeg voor camera's vanaf de D5 (januari 2016) de gebruikshandleiding van de camera als verwijzing naar de herziene AF-fijnafstellingsprocedure.

Professionele fotografen vereisen soms een extra nauwkeurige AF-fijnafstelling. Met deze functie kunt u de autofocuspositie van meerdere objectiefmodellen fijnregelen en registreren, en die correctie vervolgens toepassen wanneer dat objectief is bevestigd. Onthoud dat AF-fijnafstelling specifiek is voor een bepaalde combinatie van camera en objectief onder bepaalde testomstandigheden. U moet de aanpassing opnieuw instellen als u een ander objectief gebruikt met dezelfde camerabody of een andere combinatie van camerabody en objectief gebruikt.

AF-fijnafstelling wordt in de meeste situaties niet aanbevolen en kan de normale scherpstelling verstoren. Gebruik deze optie alleen als het echt nodig is.

Servicemelding:Als uw objectief problemen ondervindt met scherpstellen, dient u dit te retourneren naar een Nikon-serviceafdeling aangezien AF-fijnafstelling niet is bedoeld om optische problemen op te lossen die gewoonlijk buiten de reikwijdte van deze functie vallen. Als u een probleem met de scherpstelling hebt dat zich altijd voordoet met verschillende objectieven, duidt dit op een probleem met een camera-instelling of is de camera beschadigd door een schok, wat gewoonlijk leidt tot problemen met de scherpstelling. Retourneer de camera in dat geval naar de serviceafdeling.

De test opzetten

Zorg ervoor dat de opnameomstandigheden tijdens de test voor alle opnamen gelijk zijn. Zorg voor constante instellingen voor verlichting, positie en camerabelichting. Gebruik diafragmavoorkeuze en verlaag deze één stop onder het maximale diafragma. Dit biedt een goed contrast, waardoor u het resultaat het beste kunt beoordelen. U kunt slechts één aanpassing per objectief instellen. We raden de grootste scherpstelafstand aan die haalbaar is voor uw testopstelling. Selecteer geen scherpstelafstand die u niet regelmatig gebruikt, aangezien dit later kan leiden tot onbevredigende resultaten. De nauwkeurigheid van de scherpstelaanpassing hangt af van de nauwkeurigheid van de test. 

  1. Bevestig het objectief op de camera en plaats de camera op een statief. Verplaats het statief niet tijdens de test.

  2. Stel automatisch scherp op een plat voorwerp, zoals een boek of een kleine doos met fijne details op een vaste afstand van de camera.

  3. Plaats een liniaal met een hoek van 45 graden of meer naast het voorwerp, zoals hieronder wordt aangegeven.

  4. Lijn het platte oppervlak van het voorwerp uit met een bepaald meetpunt in het midden van de liniaal.

  5. Stel met behulp van autofocus scherp op het platte oppervlak van het voorwerp en vergrendel de scherpstelling. Zorg dat de scherpstelling vergrendeld blijft en maak een foto van de liniaal op het punt naast het platte oppervlak.

ImageImage

Het resultaat interpreteren:


Foto
Als de camera scherpstelt op het geselecteerde punt, is er geen aanpassing vereist (in de bovenstaande foto geeft het grijze gebied het scherpstelpunt aan).

Foto
Als de camera scherpstelt vóór het geselecteerde punt: pas de fijnafstelling omhoog (+) aan, zodat het scherpstelpunt verder weg ligt van de camera (zie onderstaande afbeelding).

Foto
Als de camera scherpstelt achter het geselecteerde punt: pas de fijnafstelling omlaag (-) aan, zodat het scherpstelpunt wordt verplaatst in de richting van de camera.
 

Een aanpassing aanbrengen

  1. U vindt de menuoptie AF-fijnafstelling in het setup-menu.

  2. Gebruik het menu  Opgeslagen waarde om de waardeschaal weer te geven, zoals in de onderstaande afbeelding. Maak een aanpassing in de juiste richting: (+) om het scherpstelpunt verder weg van de camera te verplaatsen en (-) om het scherpstelpunt dichter bij de camera te plaatsen, afhankelijk van het resultaat van de scherpsteltest.

  3. Voer de bovenstaande test nogmaals uit om te controleren of het scherpstelpunt nu correct is met de ingevoerde correctiewaarde. U moet de test mogelijk enkele malen herhalen.

  4. Klik op OK om op te slaan. Telkens wanneer u hetzelfde objectief gebruikt, gebruikt de camera de opgeslagen waarde voor dat objectief, mits AF-fijnafstelling is ingeschakeld. U kunt instellingen voor 12-20 objectieven opslaan, afhankelijk van de gebruikte camera.

Image

Contact Customer Support